Dit document geeft jullie een klein inzicht in de ontwikkeling van kinderen, met name wat betreft hun vaardigheden. We verwachten vaak te veel van onze kinderen, of vragen te veel van hen. Ookbij het jeugdwerk, waar we de kinderen niet elke dag zien, is het belangrijk om hun ontwikkelingsniveau te kennen.
Micro-, meso- en macrosysteem
De sociologie deelt al onze sociale contacten in een maatschappelijk model in. Dit model noemen ze micro-, meso- en macrosysteem.
In het microsysteem worden we gevormd door onze familie en onze directe omgeving. Dit is vooral goed te zien bij de opvoeding van kinderen. Een kind uit een gescheiden gezin, dat veel ruzie heeft meegemaakt, reageert anders op conflicten dan een kind uit een intact gezin.
Op mesoniveau worden we gevormd door organisaties. Dat kan de school, de jeugdgroep, de gemeente of andere sociale netwerken zijn. Vooral jongeren zoeken steun buiten het gezin. Ze willen onafhankelijk worden. Met de jeugdgroep hebben we een geweldig middel om kinderen al vroeg te vormen. We kunnen hen belangrijke basisprincipes meegeven.
Het macroniveau omvat de hele cultuur, het rechtssysteem, de politiek en de normen van een samenleving. Het macroniveau is in elk land anders, in Zwitserland zelfs in veel kantons verschillend. Een typisch voorbeeld is de Zwitserse stiptheid. We hoeven niet eens buiten Europa te kijken om te merken dat niet iedereen zo punctueel is als wij.
Vormen van socialisatie
Verder onderscheidt de sociologie drie verschillende vormen van socialisatie. Dit zijn de primaire socialisatie, de secundaire socialisatie en de tertiaire socialisatie.
Het micro-, meso- en macrosysteem geldt voor elke leeftijdsgroep. Deze drie vormen van socialisatie zijn onderverdeeld naar leeftijdsgroepen.
Primaire socialisatie
Dit betreft ongeveer de eerste drie tot vijf levensjaren van een kind. Het kind wordt voornamelijk binnen het gezin gesocialiseerd. Een belangrijke vaardigheid is communicatie. Hierdoor kan het zich uitdrukken en leert het zijn eigen wil kenbaar te maken.
Secundaire socialisatie
Deze fase is voor ons als jeugdleiders interessanter. De secundaire socialisatie omvat de kindertijd, de jeugd en de vroege volwassenheid. Overal waar ze in contact komen met systemen buiten het gezin.
De kinderen leren zich aan te passen aan het macrosysteem. Met de jeugdgroep kunnen we de kinderen helpen deze stap te zetten. Bijvoorbeeld door bewust groepsspelletjes te doen, zodat ze zich moeten integreren.
Tertiaire socialisatie
De tertiaire socialisatie vindt plaats in het volwassen leven. Deze fase omvat het beroepsleven en het stichten van een gezin. Deze fase is echter niet relevant voor het jeugdwerk.
Kindertijd van 6 tot 11 jaar
Wetenswaardigheden over deze leeftijd
De meesten geloven niet meer in de kerstman. Ze worden realistischer en ontwikkelen een meer uitgewerkte denkwijze. Het logisch denken ontwikkelt zich en de communicatie is al ver gevorderd.
Kinderen op deze leeftijd vertellen graag uitgebreid over wat ze hebben meegemaakt. Ze kunnen dingen in de juiste volgorde zetten en verbanden leggen.
Peuters en kinderen die net naar school gaan, bekijken alles vanuit een egocentrisch perspectief. Ze zien zichzelf als het middelpunt van hun leven en kunnen zich nog niet in anderen inleven. Op middelbare leeftijd leren ze zich in te leven in anderen. Ze ontwikkelen een sterk rechtvaardigheidsgevoel. Ze kunnen het bijvoorbeeld niet begrijpen als iemand zomaar meer chocolade krijgt zonder daarvoor extra te presteren.
Op deze leeftijd leren de kinderen in groepen te spelen. Ze kennen nog geen echte groepsloyaliteit. Het kan gebeuren dat een kind liever alleen wil spelen en dat dan ook doet. Na verloop van tijd verandert dat (rond groep 3). De kinderen leren een groep te vormen en samen te werken. Ook leren ze loyaal te zijn en elkaar niet te verklikken (rond groep 4).
Met betrekking tot de jeugdgroep
Het is belangrijk om aandachtig naar de kinderen te luisteren en ze niet te onderbreken. Kinderen moeten kunnen vertellen wat ze hebben meegemaakt.
Wees eerlijk tegenover de kinderen. Als iemand meer heeft gepresteerd, moet hij ook meer krijgen en omgekeerd. Zet hun pas aangeleerde rechtvaardigheidsgevoel niet zomaar op losse schroeven.
Verwacht bij groepsspelletjes niet te veel van de kinderen. Ze vinden het heerlijk om spelletjes in de groep te doen, maar kunnen zich nog niet direct met de groep identificeren. Geef de kinderen echter ook de vrijheid om iets anders te doen dan jullie gepland hadden. Iets wat ze alleen kunnen doen, zonder andere kinderen.
Kinderen verklikken graag, omdat ze nog geen groepsgevoel hebben. Het wordt lastig als je verder ontwikkelde kinderen hebt die verklikken zien als een inbreuk op de groep, en langzamere kinderen voor wie verklikken nog normaal is. Probeer eerlijk te zijn tegenover beiden en niemand voor het hoofd te stoten.
Geloofsontwikkeling
Het geloof wordt steeds belangrijker door de toenemende honger naar kennis. Kinderen van deze leeftijd kunnen nog heel goed geboeid worden door verhalen. Als de verzorger van het kind echter ongelovig is, bestaat het gevaar dat het kind de verhalen uit de Bijbel als onwaar of zelfs als sprookjes beschouwt. Het schoolkind beschouwt als ‘echt’ wat men kan waarnemen, horen of met de zintuigen kan waarnemen. De uitdaging is nu om het kind uit te leggen dat de onzichtbare God ook echt bestaat (Romeinen 1:4-6).
Als kind zijn de ouders meestal de belangrijkste verzorgers. Rond de leeftijd van 10-11 jaar beginnen kinderen de opvattingen van hun ouders in twijfel te trekken en te luisteren naar de meningen van andere volwassenen die dicht bij hen staan.
Veel kinderen kunnen het wetenschappelijke moeilijk onderscheiden van het christelijke, en daarom verdelen ze hun leven in twee werelden. Enerzijds het leven op de zondagsschool, waar men in Jezus gelooft en de verhalen werkelijkheid zijn. Anderzijds het schoolleven, waar men in de oerknal gelooft. Zolang deze twee werelden elkaar niet overlappen, vinden de meeste kinderen het niet erg dat niet alles helemaal klopt.
Kinderen die al vroeg leren vertrouwen, hebben het op deze leeftijd makkelijker. Ze kunnen volwassenen, bijvoorbeeld leraren, gemakkelijker vertrouwen dat ze het juiste zeggen. Kinderen die zonder vertrouwen zijn opgegroeid, hebben het in verschillende levenssituaties moeilijker.
Kinderen zijn ongelooflijk actief. Doen en zijn horen op deze leeftijd onlosmakelijk bij elkaar. Een geloof dat zich alleen op het niveau van denken en voelen afspeelt, is voor hen onvoorstelbaar. Ze willen dingen doen die Jezus behagen. Leren door te doen is niet alleen pedagogisch juist, maar ook theologisch.
Met betrekking tot de stille tijd/meditatie/input
Gebruik bij jullie stille tijd toneelstukjes, voorwerpen of afbeeldingen. Let erop dat de wonderen uit de Bijbel niet te sterk worden benadrukt. Kinderen scharen ze al snel onder de categorie sprookjes en vergeten ze als tieners, net als Sneeuwwitje en de zeven dwergen. De nadruk in de verhalen moet steeds weer liggen op de liefde van God en op het feit dat Hij onze vriend wil zijn.
De jeugdleider moet de theorieën van de ontwikkelingspsychologie accepteren en omarmen. Het kind al op jonge leeftijd overbelasten doet meer kwaad dan dat het hen verder helpt.
Er moet onder andere op worden gelet dat kinderen onder de 11 jaar alles nog letterlijk opvatten, bijvoorbeeld: ‘Jezus klopt op je hart’. De kinderen kunnen denken dat Jezus echt op de hartklep klopt. In die zin zou het beter zijn om te zeggen: ‘Jezus wil je vriend zijn’.
Als leider moet je er goed op letten dat je de reacties van kinderen op evangelische boodschappen niet verkeerd interpreteert. Als een kind bijvoorbeeld alleen maar verveeld zit en wat grassprietjes uit de grond trekt, betekent dat niet automatisch dat het er niets van opsteekt. Meestal speelt er een proces in een kind en heb je geduld nodig totdat dat proces is afgerond.
Probeer ook eens samen met de kinderen een verhaal uit de Bijbel te beleven. Ga bijvoorbeeld samen naar een bron en kijk hoe Jozef zich voelde. Of doe een ander ervaringsgericht programma met hen.
Tienerjaren van 12 tot 16 jaar
Wetenswaardigheden over deze leeftijd
Tegen het einde van het 6e leerjaar begint bij de meesten de puberteit. De meisjes beginnen nu aandacht te besteden aan hun uiterlijk. Ze kunnen uren in de badkamer en voor de spiegel doorbrengen. Bij de jongens begint het iets later, maar ze zijn net zo ijdel als de meisjes. Hun imago en wat anderen van hen denken, worden belangrijk voor hen.
De kinderen zijn nu tieners geworden. Ze brengen steeds meer tijd door in vriendengroepen. De mening van de ouders is niet meer zo belangrijk. Belangrijker is wat hun vrienden denken. Schoolregels worden bijzaak als de hele vriendengroep ze overtreedt.
Opstandigheid tegen de ouders wordt de norm. In de zenuwslopende woede die soms kan ontstaan, vallen er wel eens lelijke woorden van beide kanten.
Als tiener word je geen nieuw mens. De ontwikkeling van de tiener vindt plaats op basis van zijn of haar kindertijd.
Jongeren zijn sterk bezig met het zoeken naar zichzelf. Steeds weer hebben ze bevestiging nodig dat ze er goed uitzien of dat hun puistjes helemaal niet opvallen. In de puberteit vindt er een grote lichamelijke verandering plaats, maar ook een even grote psychische. De innerlijke strijd kan leiden tot frequente woede-uitbarstingen, waar veel ouders niet tegen opgewassen zijn. De puberteit is erg moeilijk voor jongeren die in hun kindertijd noch liefde, noch vertrouwen hebben ervaren. Ze moeten nu een eigen karakter ontwikkelen zonder dat iemand hen ooit heeft verteld dat ze waardevol zijn.
Tieners kunnen ingewikkelde gedachtegangen volgen. In tegenstelling tot kinderen, die hun context nodig hebben, kunnen ze vanuit de gebeurtenissen zelf commentaar geven. Dat betekent bijvoorbeeld dat ze je kunnen vertellen wat hun leraar hen over democratie heeft uitgelegd, zonder dat ze je de hele achtergrond hoeven te vertellen.
Een van de belangrijkste thema’s voor jongeren is liefde en vriendschappen met het andere geslacht. In de hedendaagse media wordt een volstrekt verkeerd beeld geschetst van hoe een perfecte relatie eruit zou moeten zien. Omdat jongeren juist op dit gebied op zoek zijn, hebben ze ondersteuning nodig. Ook al is het voor veel groepsleiders moeilijk om de juiste woorden te vinden, toch moet er openlijk over dit onderwerp worden gesproken. Wat God van seksualiteit vindt, moet al vroeg duidelijk aan tieners worden overgebracht.
Belangrijke onderwerpen die in christelijke kringen vaak taboe zijn. Een relatie is goed, zolang deze door God wordt gezegend. Deze uitspraak zegt tieners op dit moment nog niet veel. De rest van de klas wil ook gewoon met de knapste persoon uitgaan. We moeten de jongeren weer meer duidelijk maken wat de echte betekenis van een relatie is. Daar hoort ook bij dat je geduld moet hebben en op de juiste persoon moet wachten.
Met betrekking tot de jeugdgroep
Een jongere heeft buiten het gezin een vertrouwenspersoon nodig op wie hij volledig kan vertrouwen. Toch blijft het gezin erg belangrijk. Het biedt de puber houvast.
Omdat we weten dat jongeren erg groepsgericht zijn, moeten we ook proberen de hele groep te enthousiasmeren. Onze kans als groepsleider is om deze groepscohesie in ons voordeel te gebruiken. We moeten een deel van de groep worden dat zij accepteren. Maar geen wolf in schaapskleren die de jongeren in een volwassen patroon wil persen. Als een voorstel voor activiteiten bij de tieners niet aanslaat, moet je niet vasthouden aan je autoriteit, maar ook wel eens toegeven. Houd er echter rekening mee dat dit niet geldt voor veiligheidsvoorschriften en bij gevaar voor ongevallen. Probeer je als begeleider in te leven in de groep en ga in op onderwerpen die hen bezighouden. Hier is een zekere mate van spontaniteit nodig. Tieners zijn over het algemeen sceptisch. Ze zijn moeilijk te motiveren en willen eigenlijk alleen maar wat rondhangen. Probeer ze eens uit hun schulp te lokken.
Geloofsontwikkeling
Tieners geloven wat hun vrienden geloven. Dat kan consumptiedrang zijn of, in het beste geval, het christelijk geloof. Door de stemmingswisselingen die ze doormaken, wordt zich goed voelen belangrijker dan eigen overtuigingen.
Sommige jongeren bekeren zich alleen maar omdat de rest van de groep dat ook doet of omdat ze hun groepsleider tevreden willen stellen. Het is dan ook niet verwonderlijk dat een tiener in zijn geloof gaat twijfelen wanneer zijn referentiegroep verandert. Naarmate men ouder wordt, kan het geloof echter aan stevigheid winnen en uitgroeien tot een vaste overtuiging.
Ondanks de goede wegen die in het verleden zijn ingeslagen, kan niemand zeggen hoe iemand zich verder zal ontwikkelen. Veel mensen komen niet verder dan het groepsgeloof, of willen zich niet verder ontwikkelen.
In de late tienerjaren, of soms zelfs nooit, ontstaat het zoekende geloof. Door een bewustzijn van de eigen identiteit wordt de zoektocht naar antwoorden gestimuleerd. Als bijvoorbeeld een tiener uit een christelijk gezin komt en zich al vroeg in het openbaar heeft bekeerd omdat dat van hem werd verwacht, kan dat toch nog een geloof uit een gevoel van erbij horen zijn. Wanneer de tiener wordt geconfronteerd met andere opvattingen die niet uit zijn ongeschonden, christelijke wereld komen, kan dat hem overweldigen. Hij begint te zoeken en nieuwe dingen uit te proberen, op zoek te gaan naar nieuwe levensdoelen, waar hij later spijt van zou kunnen krijgen.
Na het zoekende geloof volgt de laatste fase: het eigen geloof. In deze fase heeft de mens het geloof voor zichzelf ontdekt, onafhankelijk van een groep of een cultuur. Dit geloof hoeft niet per se het christelijke geloof te zijn. Bij andere religies of overtuigingen is een vergelijkbare ontwikkelingsfase te herkennen. Bij het evangeliseren moet er daarom op worden gelet dat men hen niet verwijt dat hun geloof verkeerd zou zijn. Het christelijk geloof moet zo worden verkondigd dat zij gemotiveerd worden om zich persoonlijk aan deze Heer toe te vertrouwen.
Met betrekking tot de stille tijd/ bezinning/ input
Het vertrouwen van de jongeren moet eerst worden gewonnen. Alleen als de tieners een organisatie als goed ervaren, nemen ze er echt iets van op.
Bij activiteiten en spelletjes doen ze mee als ze de groep kunnen ontmoeten. Ze nemen de evangelische dingen voor lief, als de groep er maar is.
Ook tijdens de stille tijd is het belangrijk om de hele groep te inspireren. Toch mag niemand over het hoofd worden gezien. Met name op het gebied van het geloof moet erop worden gelet dat iedereen wordt bereikt. Als we een tiener het gevoel kunnen geven dat God interesse in hem heeft, ook al maakt hij geen deel uit van de groep, heeft hij een grote stap gezet in zijn geloofsleven.
Als jeugdwerker heb je vooral twee dingen nodig: goddelijk geduld om het juiste moment te herkennen en liefde voor vlinders. Veel tieners zijn erg wankel in het geloof en hebben nog geen standvastigheid. Wees niet boos op hen als ze af en toe een paar stappen achteruit zetten in hun geloofsleven. Na verloop van tijd zetten ze misschien weer een paar stappen vooruit.
Slotwoord
Wat we echter niet mogen vergeten: we kunnen kinderen in groepen indelen, maar elk kind blijft een op zichzelf staand individu, met zijn eigen kenmerken en zijn eigen ontwikkelingsniveau.
God heeft ieder mens uniek gemaakt. Er zullen altijd kinderen zijn die makkelijker zijn en kinderen die moeilijker zijn. Om iedereen met evenveel liefde te omringen, moet je jezelf dit steeds weer voor ogen houden.
Bronvermelding
Titelafbeelding: Juropaarchiv, www.juropa.net
Overzicht van competenties: Jeannine Weibel
- Login of registreer om te reageren